Gedichten

Hilde, een van onze Damo Legi, heeft aan het Stedelijk Conservatorium van Hasselt, afdeling Woord, een opleiding gevolgd. Samen met 2 andere oud leerlingen heeft ze "Het Genootschap" opgericht. (http://www.hetgenootschap.be/het_genootschap/info.html)

Naar aanleiding van een artikel in "De Morgen" waarin de Vlaamse Auteursvereniging oproept om meer poëzie te lezen in leesclubs, stelde Dymph voor om ook af en toe, of bij elke bijeenkomst, een gedicht te bespreken, al dan niet gelinkt aan het boek dat we lazen.

Hilde beet dus de spits af met onderstaand mooie gedicht van Nobelprijswinnares Wislawa Szymborska, gelinkt aan het boek "De bastaard van Istanbul"

‘Enkele mensen’
Wisława Szymborska
(Uit: Einde en begin ‘ verzamelde gedichten p 339)

 

Enkele mensen op de vlucht voor enkele mensen.

In een of ander land onder de zon

en enkele wolken.

 

 Ze laten achter wat van hen is, een of ander alles,

bezaaide velden, enkele kippen en honden,

spiegeltjes waarin nu het vuur zich spiegelt.

 

 Ze hebben kruiken en bundels op hun rug,

elke dag leger, elke dag zwaarder.

 

 In stilte voltrekt zich iemands niet meer verder kunnen,

onder kabaal iemands wegrissen van iemands brood

en iemands schudden aan zijn dode kind.

 

 Voor hen ligt een of andere weg die nooit de goede is,

altijd de verkeerde brug

over een rivier die vreemd roze kleurt.

Ergens in de buurt schoten, dichterbij of verder weg,

in de lucht een of ander vliegtuig dat wat rondcirkelt.

 

Een soort onzichtbaarheid zou hier van pas komen,

een grauwe steenachtigheid,

of nog beter een soort nergens-zijn

voor enige tijd, kort of misschien lang.

 

Er zal nog wel iets gebeuren, alleen waar en wat.

Iemand zal hun tegemoetkomen, alleen wanneer en wie,

in hoeveel gedaanten en met wat voor bedoelingen.

Als hij kan kiezen,

wil hij misschien geen vijand zijn

en zal hij hen in een of ander leven laten.

 

----------

 

La Forza der Passato - Pier Paolo Pasolini

 

Io sono una forza del Passato. 
Solo nella tradizione è il mio amore. 
Vengo dai ruderi, dalle chiese, 
dalle pale d'altare, dai borghi 
abbandonati sugli Appennini o le Prealpi, 
dove sono vissuti i fratelli. 
Giro per la Tuscolana come un pazzo, 
per l'Appia come un cane senza padrone. 
O guardo i crepuscoli, le mattine 
su Roma, sulla Ciociaria, sul mondo, 
come i primi atti della Dopostoria, 
cui io assisto, per privilegio d'anagrafe, 
dall'orlo estremo di qualche età 
sepolta. Mostruoso è chi è nato 
dalle viscere di una donna morta. 
E io, feto adulto, mi aggiro 
più moderno di ogni moderno 
a cercare fratelli che non sono più. 

 

Terug naar beginpagina